vrijdag 20 juli 2018

Doolhof

Vannacht droomde ik dat ik in het ziekenhuis was om mijn oude beroep van verpleegkundige op te pakken. Extra hulp was hard nodig vanwege enorme drukte. Het nieuwe ziekenhuis kende ik niet, wist er heg noch steg. Het leek op een doolhof. Het verbaasde me dat ik ingedeeld was in een grote zaal met wel tien bedden zoals in de zestiger jaren van de vorige eeuw.
Ik deed wat me opgedragen werd en toen ik mijn routine terug had, werd ik weggeroepen om aan de andere zijde van het ziekenhuis iets op te halen. Op dat moment ontstond mijn doolhof. Ik zag alle hoeken en gaten van het ziekenhuis. Ik belandde in de directiekamer en met een snelle sorry sloot ik de deur weer en vervolgde mijn zoektocht. Ik kwam in het lab, waar iedereen me vreemd aankeek. Niemand kon me de juiste route geven naar de plek waar ik moest zijn. Ik zag oud-collega’s, leuk, maar geen tijd voor een praatje. Ik verzeilde bij een patiĆ«nt op de kamer, mevrouw Nel. Ze was volgens mijn inschatting dik in de 80. Ze mocht naar huis na een lang ziekbed, zei ze. Mevrouw Nel worstelde met haar sandalen. Haar kledingstijl deed me denken aan Boho, zigeunerstijl. De sandalen hadden gevlochten bandjes zoals de vriendschapsbandjes en zaten vastgenageld aan de houten zool met behoorlijk hoge hakken. Ik vroeg haar of ze daarop kon lopen. Ik was me een keer een breuk gevallen op zulke dingen. Zij niet, ze liep al haar hele leven op hooggehakte schoenen. Het kostte haar moeite de bandjes vast te maken, maar ze gaf niet op. Eindelijk kon ze zichzelf bewonderen in de grote spiegel. Haar witte haar hing los langs haar gezicht. Haar wijde witte rok met banen in verschillende kleuren bewoog sierlijk langs haar lijf. Om haar pols had ze een armband met een grote bloem. Toen zij zich van opzij wilde bekijken, wankelde ze en viel met een klap achterover op het bed terug, haar hoofd in een rare knik. Ze reageerde nergens meer op. Ik drukte op het alarm. Hulp was snel aanwezig. Mevrouw Nel kwam weer bij haar positieven en ze werd meegenomen voor onderzoek.
Ik vervolgde mijn weg in het doolhof. En eindelijk vond ik wat ik zocht. Toen weer terug naar de afdeling waar ik vandaan kwam. Onderweg kwam ik mevrouw Nel tegen. Ze liet een big smile zien en stak haar duim omhoog. Zij mocht toch naar huis.
Ik zag in de verte mijn collega, die me erop uit had gestuurd, lopen. Gelukkig dacht ik. Gevonden. Maar op hetzelfde moment sloot de doorgang. Ik zocht een andere weg en kwam in de kelder met geheimzinnige ruimtes waar je niet mocht komen. Dat wezen de borden aan. De deur van de toiletruimte was open. Ik herkende een oud-collega, gehuld in een wit beschermend pak. Zij stond met een verhit gezicht de toiletten te boenen en te ontsmetten. Haar blik richtte zich op mij. Ze zei met verheven stem: ‘Jij loopt ook altijd de kantjes er vanaf. Een beetje paraderen door het ziekenhuis en belangrijk lopen doen. Je bent hard nodig op de afdeling. Iedereen is in rep en roer omdat je onvindbaar bent. Ga eens doen waarvoor je bent aangesteld.’
‘Kan ik er wat aan doen, dat ik hier de weg niet weet en niemand me helpt door dit doolhof. Het is mijn eerste dag hier, hoor. Wijs jij me dan de weg.’
Geen antwoord. Ik liep weg en schreeuwde: ‘Ik ga meteen mijn ontslag indienen. Wat een gedoe hier. Zo wil ik niet werken.’
Even kwam ik in de verleiding om door een openstaande deur met uitzicht op de tuin naar buiten te lopen. Maar mijn plichtsgevoel won het. Als een wonder stond ik ineens in de zaal en leverde het benodigde af. Niemand zei iets. Het werk was gedaan en ik kon gaan. Op de klok zag ik dat ik de hele dag in het doolhof had rondgesjouwd.
Wat een rare droom. Wat betekent zoiets? Moet ik blijven waar ik ben en doen waar ik goed in ben. Moet ik me niet laten opjutten? Moet ik zien te voorkomen dat ik als een kip zonder kop rond ren? Ik heb geen idee. Een rare droom was het wel.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten